Het straatje dat zich stad mocht noemen

Het straatje dat zich stad mocht noemen

Openluchtspel 600 jaar Terborg Stad – Een sfeertekening

“Daar waar de historicus geen geschrift vindt, vindt de schrijver altijd wel een historie.”

Het is 1419 en de Heren van Wisch, Henrich en Derck, volle neven van elkaar, de één nog wonend op de Heuven en de ander op het nieuwe kasteel, hebben een plan. Best een slim plan, vinden ze zelf. Een plan waarmee ze de mensen in het straatje een beetje bezig willen houden; een beetje opvoeden; een beetje aan het lijntje houden. Ze geven ze rechten! Stadsrechten nog wel. Maar -en dat is de adder onder het gras- aan die rechten zitten ook een heel trits plichten. Ze moeten nu in een keer van alles, die Borghsen! De wal onderhouden. De poorten sluiten. Wacht lopen. Recht spreken. De muren van de huizen met leem insmeren. Noem maar op. Kijk, en dat scheelt de heren van Wisch een hoop gedoe. Dat denken ze.

Maar het gedoe gaat nu pas beginnen. Want als de 81 mannen die ze op het kasteel uitgenodigd hebben om de stadsrechten in ontvangst te nemen midden in de nacht thuis komen en hun vrouwen vertellen dat ze een stad zijn en dat de één Borgermeister is geworden -of Schout of Schepen- en de ander niks; kijk, dan verandert er iets in het straatje. Want in zo’n buurtje met een subtiel sociaal evenwicht hoeft er maar dit te gebeuren en dan is de vlam in de pan.

Want de mensen met een functie willen dat wel weten. En de mensen zonder functie houden niet van poespas. Dus waar de waterput en het bakhuis tot nu toe de plekken waren van samenkomst en sociale hoogtij, worden ze nu ineens plekken van zustertwist en standsverschil.

Een tweede grens die ineens scherp getrokken wordt, is die tussen In-ter-Borgh en Buiten-ter-Borgh. Een kleinigheid zou je denken, ware het niet dat de enige kroeg van het dorp ineens buiten ter Borgh blijkt te liggen. En dat doet zeer. Waar ook pijn wordt gevoeld wordt is in de dorpen die rondom ter Borgh liggen: Etten, Syluald en Ginder. Daar kunnen ze het maar moeilijk zetten dat zo’n “strontsloot” ineens stadsrechten krijgt. Wat denken ze in ter Borgh wel niet?

Het duurt dan ook niet lang of de spanning is in alle lagen van de samenleving te snijden. Zelfs de Heren van Wisch blijven niet buiten schot als ze plotseling met escapades uit hun verleden worden geconfronteerd. Zo dreigt hun experiment vanaf het begin gedoemd te zijn. Ware het niet dat de stadsrechten een geweldige inventiviteit en ondernemingsdrang losmaakt bij de burgers van het Straatje dat zich Stad mocht noemen.